‘De klimaattransitie is duur, niets doen duurder’

Koen De Leus, de hoofdeconoom van BNP Paribas Fortis, pleit voor een forst hogere koolstofprijs. “Het risico loopt op naarmate de transitie wordt uitgesteld, de temperatuur verder oploopt en leidt tot meer extreme weersgebeurtenissen en een dalende arbeidsproductiviteit.”

 

Terwijl ik dit schrijf, staat de Gironde in brand. Honderdduizenden Fransen moesten hun tenten, caravans en huizen achterlaten. Spanje riep voor het eerst ooit een nationale noodtoestand uit wegens bosbranden. Niet ver van Madrid likken de vlammen aan de voordeur van de hoofdstad. En de volgende hittegolf dient zich alweer aan.

 

Verrassend? Allerminst. Klimaatwetenschappers voorspelden dit scenario al in het VN-klimaatrapport van 2012. Ze stelden een stijging van extreme weersomstandigheden voorop: stormen, overstromingen en hittegolven. De wereld hoorde het aan en slaakte een geeuw. We zijn allemaal vóór de klimaattransitie. Zolang ze niets kost, en het liefst zelfs een beetje geld opbrengt, graag via een subsidie op naam.

 

Die houding heeft een prijs, en Oxford Economics heeft hem netjes berekend. De Global Climate Service zet transitierisico af tegen fysiek risico. Het eerste omvat de schade die een versnelde transitie met zich brengt door een fors stijgende koolstofprijs (die we allemaal betalen). Het fysieke risico loopt op naarmate de transitie wordt uitgesteld, de temperatuur verder oploopt en leidt tot meer extreme weersgebeurtenissen en een dalende arbeidsproductiviteit.

 

De conclusie liegt er niet om. Een snelle transitie vereist een wereldwijde koolstofprijs richting 200 dollar per ton tegen 2030, en nog hoger daarna. De daling van de koopkracht door de oplopende prijzen weegt op de consumptie, de winsten en de investeringen. Dat zet de groei op korte termijn onder druk. Maar het zorgt tegen 2060 voor een stabilisatie van de temperatuurstijging op 1,6 graden Celsius boven het pre-industriële niveau. In combinatie met aanzienlijke productiviteitsverhogende investeringen, ligt het globale bruto binnenlands product (bbp) dan 12 procentpunt hoger in vergelijking met het basisscenario. In dat basisscenario beperkt de wereld zich tot een onvolledige transitie met een globale temperatuurstijging tot 2,2 graden Celsius in 2060 en 3 graden Celsius in 2100.

 

"We zijn allemaal vóór de klimaattransitie. Zolang ze niets kost."

- Koen De Leus

 

Doen we nog minder dan wat we beloofd hebben, dan belanden we in het klimaatcatastrofescenario. De temperatuur stijgt met 2,7 graden Celsius in 2060 en het bbp strandt een derde onder het basisscenario. Dat is geen boekhoudkundig verschil, dat is het verschil tussen een welvarende globale economie of collectieve verarming. Voor Europa impliceert dat vanaf 2040 een jaarlijks oplopend negatieve groei.

 

De verschillende scenario’s leveren relatieve winnaars en verliezers op. In het transitiescenario brengen economieën zoals Europa en Brazilië er het beste vanaf. Al een aanzienlijk aandeel van de elektriciteitscapaciteit komt van hernieuwbare energie. De prijsstijging van mineralen en cruciale grondstoffen zoals koper verhoogt de exportinkomsten van grondstofrijke landen.

 

Het omgekeerde geldt voor exporteurs van fossiele brandstoffen zoals Saoedi-Arabië en Rusland. In het klimaatcatastrofescenario leiden de hogere temperaturen vooral in de noordelijke hemisfeer – Canada, Europa, Verenigde Staten, Rusland – tot meer extreme weersomstandigheden. Fossielebrandstofproducten profiteren nu van een langer aanhoudende vraag. Maar de stelselmatig hogere temperaturen zorgen er uiteindelijk voor dat iedereen in dat scenario verliest. 

 

"Een snelle transitie vereist een wereldwijde koolstofprijs richting 200 dollar."

- Koen De Leus

 

En voor wie hoopte dat stilzitten tenminste de portefeuille spaart: vergeet het. In alle scenario's – traag, snel, of doe-maar-niets – komt de gemiddelde inflatie uit op zo'n 2,4 à 2,5 procent, hoger dus dan de huidige inflatiedoelstellingen. De klimaattransitie kost, de klimaatverandering evenzeer. Er bestaat geen gratis lunch, zelfs niet in de klimaateconomie.

 

Na de scenario’s komt de ontluisterende realiteitscheck. De gemiddelde globale koolstofprijs bedraagt vandaag amper 7 dollar per ton. Nog geen derde van de wereldwijde koolstofuitstoot is onderworpen aan enige vorm van koolstoftaks. Drie kwart van de totale opbrengsten voortvloeiend uit koolstoftaksen wordt geïnd in de Europese Unie. Wij lopen dus niet voorop, wij lopen alleen, 20 kilometer voor de rest van het peloton. Om ook maar in de buurt van het aanbevolen niveau te komen, moet de wereldwijde koolstofprijs op korte termijn naar 50 à 100 dollar, om vervolgens door te stoten naar 200 dollar en meer. Dat is geen bijstelling, dat is een katapult. En die kan slachtoffers maken.

 

"Voor wie hoopte dat stilzitten tenminste de portefeuille spaart: vergeet het."

- Koen De Leus

 

Toch is er een sprankje hoop, en het komt vanuit onverwachte hoek. De energiecrisis die de oorlog tussen de VS en Iran veroorzaakte, duwt de wereld verder richting energieonafhankelijkheid. Bij vorige oliecrisissen, in de jaren zeventig en tachtig, was het antwoord steevast: nieuwe fossiele energiebronnen aanboren. Ditmaal niet, zelfs niet in het land van "drill, baby, drill". Wat wél gebeurt: een forse stijging van het aantal verkochte elektrische auto's in Europa, Latijns-Amerika en Azië (maar niet in de VS). En het gros van de wereldwijde extra elektriciteitsproductie in de eerste jaarhelft kwam, tegen alle somberheid in, van hernieuwbare energie.

 

Daarmee zijn we er natuurlijk allerminst. De boodschap is niet dat Europa nog een tandje moet bijsteken. Ondanks de recente versoepeling van bepaalde instrumenten en maatregelen, komt niemand maar in de buurt van wat wij doen. Wel moet de rest snel Europa's voorbeeld volgen. Anders blijft het bij een sprankje hoop, tussen twee bosbranden in.