Black Monday: Ook een hangmat kan kantelen
Op maandag 19 oktober 2026 was het precies 39 jaar geleden dat de Dow Jones zijn zwaarste procentuele dagverlies ooit beleefde: 22,6%. De kalender zorgde voor een knipoog, want 19 oktober viel dit jaar opnieuw op een maandag. Een mooie aanleiding om stil te staan bij een hardnekkige beleggersillusie: dat we het risico deze keer wél onder controle hebben.
A. De vonk en het kruitvat
Wie terugblikt op 19 oktober 1987, krijgt meestal hetzelfde verhaal voorgeschoteld: de computers namen het over. Een populaire strategie met de geruststellende naam portfolio insurance veroorzaakte een kettingreactie van verkooporders op de termijnmarkten. Die strategieën verminderden bij koersdalingen de aandelenblootstelling, vaak door indexfutures te verkopen. Dalingen lokten zo nieuwe verkopen uit, die weer nieuwe dalingen veroorzaakten. De bescherming van de ene belegger vergrootte de druk op de andere.
Daar zit veel waarheid in, maar die strategieën wakkerden vooral het vuur aan. Het kruitvat was al veel eerder gevuld, in een periode waarin beleggen bijzonder gemakkelijk leek. Tegen eind augustus 1987 was de Dow Jones sinds het begin van het jaar met ongeveer 44% gestegen. Koersen liepen sneller op dan bedrijfswinsten, waardoor beleggers steeds meer betaalden voor dezelfde dollar winst.
De val bleef bovendien niet tot Wall Street beperkt. Ook Hongkong, Londen en Sydney gingen in die oktobermaand fors onderuit. De schok verspreidde zich over markten met verschillende handelsstructuren. Wie alleen naar de Amerikaanse computers kijkt, mist hoe internationaal verweven het vertrouwen al was.
B. Hoge rente, handelstekort en een wankele dollar
Terwijl de beurs feestvierde, werd het alternatief steeds aantrekkelijker: Amerikaanse staatsobligaties. Op de vrijdag vóór Black Monday bedroeg de tienjaarsrente ruim 10%. Beleggers konden dus een nominaal rendement van meer dan 10% vastleggen, zonder het bedrijfsrisico van aandelen. Obligaties beschermen niet tegen inflatie en bedrijfswinsten kunnen groeien, maar wie extra risico neemt, wil daarvoor voldoende beloond worden. De hoge rente maakte een crash niet onvermijdelijk, maar legde de lat voor aandelen wel hoger.
Daar kwamen spanningen rond het Amerikaanse handelstekort en de dollar bovenop. Op vrijdag 16 oktober verloor de Dow Jones al 4,6%. Tijdens het weekend verscherpte minister van Financiën James Baker de toon tegenover West-Duitsland en dreigde hij de dollar verder te laten zakken. Het vertrouwen kreeg opnieuw een tik.
Toen de verkoopgolf op maandag over de beurs rolde, raakten handelssystemen overbelast en werd betrouwbare prijsinformatie schaars. Extra onderpandverplichtingen zetten marktpartijen verder onder druk. Iedereen wilde bescherming, maar steeds minder kopers wilden die tegen de oude prijzen bieden.
C. De Fed en de ingebouwde illusie
Op dinsdagochtend 20 oktober verklaarde de Federal Reserve klaar te staan om liquiditeit te verschaffen en het financiële systeem te ondersteunen. De centrale bank verruimde de liquiditeitsvoorziening en moedigde banken aan krediet te blijven verstrekken. Dat hielp de marktwerking en het vertrouwen te herstellen. Een onmiddellijke Amerikaanse recessie of bankencrisis bleef uit; binnen minder dan twee jaar bereikten de Amerikaanse aandelenmarkten opnieuw recordstanden.
"Dit was het begin van de hardnekkige verwachting dat de centrale bank bij ernstige problemen de markt wel komt redden."
Dat optreden wordt vaak gezien als een belangrijk beginpunt van wat later de Greenspan put of Fed put ging heten: de hardnekkige verwachting dat de centrale bank bij ernstige problemen de markt wel komt redden. Die vertaling is gevaarlijk. Het financiële systeem ondersteunen is iets anders dan de aankoopkoers van beleggers garanderen. Een centrale bank kan de kredietverlening overeind houden terwijl aandelen nog steeds zware verliezen lijden.
Bovendien hangt haar speelruimte af van de omstandigheden: bij hardnekkige inflatie is een snelle renteverlaging minder vanzelfsprekend. Tijdelijke liquiditeitssteun blijft mogelijk, maar niemand weet vooraf wanneer de hulp komt en hoeveel schade er dan al is.
D. De hangmatbelegger en de grenzen van bescherming
Dat brengt ons bij de belegger van vandaag. De populaire aandelen-ETF’s van nu bestonden in 1987 nog niet, maar een passief fonds dat de Dow Jones nauwkeurig volgde, zou op die maandag ongeveer dezelfde klap hebben gekregen. Een brede aandelen-ETF beperkt het risico dat één bedrijf je portefeuille ruïneert, maar voorkomt niet dat de hele markt lager wordt gewaardeerd. Ook honderden bedrijven samen kunnen te duur zijn of door een algemene verkoopgolf worden meegesleurd.
Daarmee is hangmatbeleggen niet plots een slechte strategie. Wie voldoende tijd heeft, geen geld hoeft op te nemen en zulke verliezen aankan, kan bewust beslissen de rit uit te zitten. Maar weinig werk hebben aan je beleggingen betekent niet dat je weinig risico loopt.
Sinds 1987 zijn er circuit breakers ingevoerd. Vandaag volgt bij een daling van de S&P 500 met 7% of 13% tegenover de vorige slotstand een handelspauze van vijftien minuten, mits die drempel vóór 15.25 uur New Yorkse tijd wordt bereikt. Bij een daling van 20% stopt de Amerikaanse aandelenhandel voor de rest van de dag. Dat geeft de markt tijd om op adem te komen, maar garandeert geen bodem. De drempel is ook geen maximumverlies voor een afzonderlijk aandeel of een ETF, en de volgende beursdag kan de daling gewoon doorgaan.
E. De echte les van 1987
In 1987 volgde het herstel relatief snel. De Dow sloot 1987 zelfs af met ongeveer 2,3% koerswinst, exclusief dividenden. Dat klinkt geruststellend, maar de top van augustus lag nog ver weg. Een positief kalenderjaar kan dus een bijzonder pijnlijke rit verbergen. Wie na de klap definitief uitstapte, miste het daaropvolgende herstel. Alleen wist niemand op het dieptepunt hoe lang dat zou duren.
De les is dus niet dat we de volgende crash moeten voorspellen of paniekerig uit de markt moeten stappen. Wel dat we portefeuille én verwachtingen zo moeten opbouwen dat we niet afhankelijk zijn van het uitblijven van een crash. Concreet:
- Kijk naar je horizon. Geld dat je binnen enkele jaren nodig hebt, hoort niet volledig in aandelen.
- Houd een buffer buiten de beurs. Zo verklein je de kans dat je tijdens een crash moet verkopen om onverwachte uitgaven te betalen.
- Spreid over verschillende beleggingscategorieën. Spaargeld en passende obligaties kunnen de schommelingen beperken. Maar ook obligaties kunnen samen met aandelen dalen; looptijd en kredietkwaliteit maken een groot verschil.
- Beslis vooraf hoe je reageert. Wat doe je bij −10%, −20% of −30%: blijven zitten, bijkopen of herbalanceren? Wie dat in rustige tijden vastlegt, heeft tijdens paniek iets om op terug te vallen.
Je hoeft als passieve belegger niet uit de hangmat te klimmen. Je moet alleen beseffen hoe hard je kunt vallen wanneer ze kantelt, en of je daarna nog rustig genoeg bent om je plan te volgen.
Voor wie nu toch wat koud zweet voelt opkomen, nog een klein lichtpuntje uit de wiskunde: twee opeenvolgende beursdagen van −20% betekenen samen geen verlies van −40%, maar “slechts” −36%. Toch fijn, dat compounding-effect bij ETF-beleggers…
Om die “slechts” 36% weer goed te maken, heb je overigens 56,25% winst nodig. Daar mag je even voor blijven liggen…